zondag 17 februari 2008

aan: nederland@europarlement.eh

Diefjesmaat
Marokko heeft de Westelijke Sahara niet voor niets bezet. De natuurlijke rijkdommen van het gebied brengen veel geld op. Het gaat om fosfaat, uranium en vis.

Vis in de Sahara?
De Saharaanse kust is bezet door de Marokkaanse dictator Hassan II. Hij heeft de oorspronkelijke bewoners de woestijn in laten jagen. De gevluchtte Saharanen zijn opgevangen in de regio en sindsdien wonen zij in vluchtelingenkampen die worden beschermd door Algerije. Voor hun levensonderhoud zijn de vluchtelingen afhankelijk van de internationale gemeenschap. De Verenigde Naties vergaderen af en toe over dit schandaal maar zonder resultaat. Ondertussen verkoopt Marokko de natuurlijke rijkdommen uit het land. De Saharaanse fosfaat wordt afgegraven en per schip afgevoerd. De Saharaanse vis levert geld op via de verkoop van vislicenties.

Mag dat zomaar?
Deskundigen in het internationaal recht gunnen Marokko de titel van "administratieve macht" van het gebied. Op die titel kan Marokko de natuurlijke rijkdommen op de internationale markt aanbieden maar onder de voorwaarde dat de opbrengst ten goede komt aan de oorspronkelijke bevolking. En dat doet Marokko niet. De oorspronkelijke bevolking verkommert in vluchtelingenkampen.

Wat doet Nederland?
Het standpunt van Nederland is dat het internationaal recht moet worden gerespecteerd. Dat is zelfs in onze grondwet verankerd. Daarom kan door Nederland de annexatie van West Sahara niet worden erkend want het Internationaal Hof van Justitie heeft bepaald dat Marokko geen recht heeft op het gebied. Toen binnen de Europese Unie moest worden gestemd over een visserij-akkoord met Marokko waarbij de Saharaanse wateren als Marokkaans worden beschouwd heeft Nederland voor het akkoord gestemd, maar legde daarbij een verklaring af waarin wordt benadrukt dat dit geen erkenning betekent van de zeggenschap van Marokko over de Westelijke Sahara en dat de opbrengst van de visbestanden ook ten goede moet komen aan de oorspronkelijke bevolking. Hetzelfde geldt dan ook voor de fosfaat.

Het Nederlandse standpunt is gevaarlijk. Stel nu dat een Marokkaanse straatjongen een tasje steelt en het gestolen tasje verkoopt en de opbrengst aan de bestolen dame geeft. Is de diefstal dan ongedaan gemaakt? Zeker niet. Het eigendom is en blijft ontvreemd en de tasjesdief zal toch gestraft moeten worden om herhaling te voorkomen. Het goedpraten van de tasjesroof zal niemand overtuigen en op de gedupeerde zal het een verdachte indruk maken!
Zo maakt ook het Nederlandse standpunt over de grondstoffen uit de Westelijke Sahara een merkwaardige indruk.

Die indruk wordt versterkt door het gebrek aan Nederlandse belangstelling voor informatie over de opbrengst van de gestolen waar. Als men goedkeuring aan het exploiteren van Saharaanse grondstoffen koppelt aan de voorwaarde dat de opbrengst ten goede moet komen aan Saharanen dan moet men toch informeren of de opbrengst daar inderdaad terecht komt. En als dat niet het geval is dan moet daar wel een vervolg aan worden gegeven.
Dat vervolg zou moeten bestaan uit: het alsnog intrekken van de goedkeuring; het plaatsen van de gewonnen grondstoffen op een zwarte lijst van gestolen spullen, en het verhandelen verbieden; en te zorgen dat de de reeds behaalde winsten alsnog bij de rechtmatige eigenaars terechtkomen.

Als men die gevolgtrekkingen niet wil of kan maken is de gestelde voorwaarde niets anders dan kletspraat van een diefjesmaat.

Mijn vraag aan u, als Nederlandse verantwoordelijke bij de Europese Unie, is in hoeverre duidelijk is hoe het staat met de handel in de Saharaanse grondstoffen en wanneer de Saharaanse vluchtelingen hun deel van de opbrengst in ontvangst kunnen nemen.

Hoogachtend,

Mahmoud Van Kaas
Een reactie plaatsen